Van paraplu’s, Anna’s in boeken en een carrière als voicemail-ster

Het regent.
Ik kijk door het raam naar de mensen die voorbij wandelen.
De meesten met een paraplu en een beetje bedrukt.
Sommige zonder paraplu en nog bedrukter.

De meeste paraplu’s zijn zwart.
Ik tel er vijf.
En een donkerblauwe, een donkergroene en een hele grote regenboogparaplu.
Ik heb er zelf eentje bij die op een paddestoel lijkt.
Rood met witte stippen.

Die heb ik al jaren.
Een vroegere collega vond die op De Nachten en dacht dat het de mijne was.
Sindsdien dus wel.
Al is het een klein wonder dat die plu nog niet kapot gewaaid is.
Ze is klein maar dapper, mijn bolletjesparaplu.

Ik zit te lezen.
Een vers gedownload boek.
Ik geniet er van.
Het doet me glimlachen, breed.
Maar het geeft me ook een krop in de keel.
De brieven die de verteller aan zijn geliefde Anna schrijft doen me verlangen naar net zo iemand.

En ik herken stukjes van mezelf in Anna.
Kleine stukjes, maar toch stukjes.

En toen ik er achter kwam dat het hoofdpersonage Anna heet,  “Annanatuurlijk, gewoon Anna”, ging er een warme golf door me heen.

Ik heb een zekere liefde voor die naam.
Het is een naam die ook in een van mijn favoriete boeken door het hoofdpersonage gedragen wordt.
En ik hou van namen die omkeerbaar zijn.

Zo hou ik ook van de naam Hannah, met twee h’s.
Misschien nog meer dan van Anna, omdat ik bijna Hanne had geheten en dat mijn zus als tweede naam Hanne kreeg en een goede vriendin die ik verloor Hanne heette.

Maar Anna doet me dan weer denken aan mijn beste vriendin in de eerste jaren van de lagere school, zij heette Sara-Anne.
Ook een mooie naam.
En het doet me ook denken aan de kinderen van een vriend, die heten Anna en Ada.
En een van die twee had de allermooiste rode lakschoentjes als kind, waar ik oneindig jaloers op was.

Het lijkt me ook wel cool om een naam met een A te hebben, want dan sta je helemaal bovenaan in de contactenlijst van iemands gsm.

Maar ik ben blij met mijn eigen naam.
Silke hoor je niet heel erg veel, maar toch af en toe.
En ik krijg regelmatig het compliment dat ik een mooie naam heb.
En ik vind dat mijn naam ook bij mij past om de een of andere reden, ik kan niet zeggen waarom.

En De Ridder vind ik een kei coole achternaam.
Ooit zei een vriendin die radio gestudeerd had dat ik een goeie radionaam heb.
Silke De Ridderrrrr.

En ik kreeg ook al een paar keer te horen dat ik een goeie telefoonstem heb.
Misschien kan ik een carrière als voicemail-inspreekster overwegen?
Liever dat dan een soort ‘lichte zeden telefoon’ natuurlijk..

Zou er een markt zijn voor het inspreken van voicemails ofzo?
Of misschien luisterboeken!
Maar daar praat ik wellicht te snel voor.
Want ja, dat is een van mijn mankementen, of rariteiten of opmerkelijkheden, noem het zoals je wilt.
Ik praat gewoon heel snel.
En veel, dat ook.

En ik moet dan ook nog aan mijn zwaar kempisch accent werken.
En hennig!
En aan mijn veelvuldig gebruik van ‘tuh’ en ‘euh’ en andere stopwoorden.
Oké, duidelijk nog werk aan de winkel voor ik mijn business kan opstarten.
Intussen bedenk ik alvast de beste voicemailtekstjes!

Van het veranderende straatbeeld en wat Rozenbergnostalgie

Een tijdje geleden hadden we het er met vrienden over hoeveel er veranderd is in Mol.
Hoeveel gebouwen vervangen zijn door appartementsblokken enzo.
Ik woon nu zo’n 22 jaar in Mol, sinds mijn zesde verjaardag.
En als ik nadenk over hoe het straatbeeld er toen uitzag zijn er toch veel verschillen.
Logisch natuurlijk, maar ik vond het vooral gek toen ik besefte dat ik heel veel dingen gewoon al vergeten was, van toen.

In eerste instantie is het altijd wennen als er een gebouw vervangen wordt door iets nieuws, maar het verbaasde mij hoe snel je daar aan gewend bent.
En vooral hoe snel je vergeet hoe het er eerst uitzag.
Het centrum wordt vol met appartementen gezet, met beneden winkels.
Maar daar staat de helft van leeg.

Ik wandelde in gedachten door de straten op zoek naar verschillen.
Het zullen er zeker meer dan zeven zijn, haha.
De start van mijn denkbeeldige wandeling was ons oude huis op de Rozenberg.
Tien jaar geleden zijn we van daar naar ons huidige huis verhuisd.
Onze winkel is daar elf jaar geweest.
En ook dat pand is veranderd.

De gevel is nog relatief hetzelfde.
Alleen is het houtwerk van de etalages nu wit en de voordeur ‘ingesprongen’.
Boven zijn er nu appartementen, niet meer de kamers die er vroeger waren.
Het schijnt heel mooi gedaan te zijn, waar ik ook niet aan twijfel.
Maar het voelt ook een beetje gek, te weten dat die vertrouwde woning nu opgesplitst is en wellicht totaal onherkenbaar.

Ook de huizen naast ons oude zijn anders.
Er zit een pizzeria in het nieuwe gebouw ernaast.
Op de hoek was er indertijd, toen wij er kwamen wonen, een matrassenwinkel.
Die heeft al snel plaats geruimd voor een nieuw appartementsblok met beneden een taverne.
Maar dat is echt al superlang geleden!
Net als op de hoek aan de overkant, dat gebouw is ook al lang geleden helemaal vernieuwd.
Ooit was dat een statig ijssalon/tearoom met een glazen luifel.
Dat werd verbouwd tot een mooie taverne, die nog wat later van eigenaar en naam veranderde.

Wat ik misschien wel één van de grootste veranderingen vind is de zogenaamde ‘landmark’ aan het Rond, waar vroeger de oude muziekschool stond.
De oude muziekschool stond al heel lang leeg.
Te verkrotten.
Voor het gebouw was een speelplaats met een laag muurtje.
Ooit stond daar ook nog een gebouwtje met smoezelige openbare toiletten.
Hoe vaak we niet met de gidsen op die speelplaats hebben gezeten.
En het was ook de plek waar ik met vriendinnen afsprak om op café te gaan.

Jarenlang werd er gepraat over een nieuwe bestemming van het gebouw.
Tot er in de winter van 2007 brand gesticht werd.
Toen was de oplossing ineens pijnlijk duidelijk; tegen de vlakte ermee.
Onder protest van vele Mollenaren werd het gebouw vervangen door een modern, wit gebouw met luxe-appartementen.
Ook aan de overkant van het plein zijn nieuwe appartementen gekomen.

Ik bedacht zoveel dingen die veranderd zijn dat ik er zelf van schrok.
Waar nu Ici Paris XL is, was vroeger de Kruidvat.
Waar nu de Hema is, was vroeger bakkerij Helsen, Center Shop verhuisde naar de Molderdijk en is inmiddels vervangen door Dreamland, Dreambaby en BioPlanet.
Waar vroeger het station stond, zijn nu fietsenrekken, met daarnaast het nieuwe station.
Waar vroeger de tekenacademie was, huist nu mijn osteopaat.

Van sommige panden en plaatsen kan ik me bijna niet meer herinneren wat er vroeger was.
Ik herinner me nog een tankstation op de Rozenberg, waar nu een kapperswinkel is.
En het frituurtje van Jef Spiejek aan het station, waar nu dus fietsenrekken zijn.

Toen ik in ’96 naar het eerste leerjaar ging, op de Rozenberg, recht tegenover ons deur, zag het er ook daar helemaal anders uit.
Op de speelplaats van de lagere school was een grasveld met een grote magnoliaboom.
Er stonden bomen en er was een Mariagrot.
Er was een grote zandbak en tegen het muurtje dat de speelplaats van de lagere school scheidde van de middelbare stonden coniferen.

Wij maakten een soort kamertjes tussen die bomen.
We speelden verstoppertje in de Mariagrot.
We speelden Pokémon na.
En vooral heel veel tikkertje.

Naast die ‘grot’ was het oude klooster.
Een grijs gebouw met nog grijzere klaslokalen.
Niet dat ik er ooit ben binnen geweest.
Op een bepaald moment kwamen er grote verbouwingen, het jaar herinner ik me niet meer.

Het oude klooster werd gerenoveerd en er werd een stuk aangebouwd.
Onze speelplaats werd in eerste instantie een stuk kleiner, maar we kregen wel een afdak.
Een groot geel geval met bogen.
Ik weet nog dat het oudercomité hinkelpaden kwam schilderen.
Nog wat later werd onze speelplaats helemaal vernieuwd.
We kregen een ballenvanger, voetbalkooi en een behendigheidsparcours in een zandbak.

Zo ziet die speelplaats er nog steeds uit.
Alleen die van de kleuters is nadien ook nog veranderd.
Toen ik vorig jaar meewerkte aan Mol in Scène II kwam ik nog eens in de gebouwen van de school.
De zolder van de lagere school, waar vroeger onze refter was, is nu enkel nog opslagruimte.
Al kon ik opnieuw de geur van duffe chocomelk en fristi ruiken toen ik er binnen kwam.
Ik had een hekel aan blijven eten op school in de lager school.

Tijdens de prospectie voor Mol in Scène kwam ik nog eens in de gangen van het middelbaar.
De gangen van de B-blok  waren niet zo heel hard veranderd.
Wel serieus opgefrist, en er waren nieuwe, propere toiletten.
Het was best gek om terug door die gangen te lopen.
In de B-blok had ik in mijn eerste jaar een vast lokaal.
B-313. Het laatste lokaal op de derde verdieping.
Ik kon vanuit het raam mijn slaapkamer zien.

We liepen ook door de gangen van de talenklassen.
Blok E als ik me niet vergis.
De aquariumklassen werden die weleens genoemd, omwille van de grote ramen aan de kant van de gang.
Tijdens Mol in Scène zelf kwam ik in de klassen van de J-blok, waar ook de lagere school zijn klassen heeft, maar dan boven.
In die klassen waar onze acteurs zich omkleedden kreeg ik ooit Nederlands en wellicht nog een paar andere vakken.
In het lokaal aan de Robianozaal waar we spullen stockeerden kreeg ik ooit muziek.

Ik was natuurlijk nog wel op de school geweest, bijvoorbeeld met het mosselfeest van MEMO of de geschenkenbeurs van de wereldwinkel.
Maar dat was in de Robianozaal, en de bureau’s van de huishoudelijke dienst.
Nooit meer in de klassen en gangen.
Ik werd er toch wel een beetje nostalgisch van.
Maar ergens ook wat onwennig.
Mijn schoolcarrière was niet bepaald standaard.

Maar ach, ik heb al bij al best graag op die school gezeten.
Ik heb er veel mooie herinneringen.
Ook veel slechte, maar die schuif ik opzij.
Ik denk liever aan alle gekkigheid die ik er beleefd heb.
En de kapotte knieën van op de speelplaats.
En het dansen op het afdak.
En zelfs de tuttefrutten onder de schoolbanken.

Van procrastinatie en mijn combinatie tussen weirdo en blijtwijf

Ik heb een zeer groot talent voor uitstellen.
Ik ben als het ware the queen of procrastination!
Schoon woord eigenlijk he, procrastinatie.
Misschien niet echt een talent om trots op te zijn, maar het heeft tenminste toch een fancy naam.

Ik stel zoveel dingen uit dat ik soms zelfs niet meer weet dat ik ze heb uitgesteld.
(Oké, dat is gewoon mooi gezegd dat ik het vergeten was ofzo)
Maar ook als ik ze niet écht vergeten ben, vergeet ik dat ik ze blijf uitstellen.
Slaat dat op iets?
Waarschijnlijk niet.
En dat is ineens een grote reden van mijn procrastinatie: mijn warrig hoofd.

Ondanks mijn goede geheugen ben ik vaak verstrooid.
Het stomme is dat ik heel banale dingen vaak wel onthou, maar belangrijke soms niet.
Erg frustrerend.
En ik schrijf wel dingen op, maar door mijn vele notaboekjes en losse briefjes vind ik niet meer waar ik het heb opgeschreven.
Ja, ik weet het, ik ben een totale weirdo.

Want wie weet nu nog wel wat ze aanhad op een sollicitatiegesprek, maar niet wat ze ook weer naar wie moest mailen ofzo.
(Ik droeg een jurk van DIDI die mijn vader heel mooi vond en de sandalen van mijn plechtige communie bij mijn sollicitatie bij Standaard Boekhandel.)
Wie weet nog wel hoeveel een paar schoenen gekost heeft maar vergeet wel dat ze iets moest gaan ophalen, en zelfs wat.
Weirdobrain to the max!

Mijn ouders wijzen me er ook regelmatig op.
Wanneer ga je nu eindelijk eens met die-of-die vriendin afspreken?
Ga je nu nog een nieuwe laptop kopen of niet? (Intussen wel gebeurd!)
Wilde je nu nog graag eens in dat-of-dat restaurant gaan eten?
Moest je niet nog dat-of-dat doen voor die-of-dat?

Vaak is mijn antwoord een soort van schouderschokken en vaag ‘kweenie’ gemompel.
En soms is dat eigenlijk niet echt oké, dat uitstelgedrag.
Ik spreek te weinig af met ‘verre’ vrienden.
In afstand bedoel ik dan, maar soms ook als in ‘van vroeger’.
Of een combinatie van de twee.
Maar zelfs met relatief ‘dichte’ vrienden laat ik het te vaak hangen.

Daar zijn verschillende redenen voor.
Als eerste mijn uitstelgedrag.
Als tweede mijn angstgedoe en flauwvallerij.
Daardoor word ik enorm onzeker.
En ik ben dan ook al onzeker in de eerste plaats, want ik vraag me dan af of die mensen er wel boodschap aan hebben of dat willen, met mij afspreken.
Die hebben vaak zelf een druk leven, met werk, gezin, hobby’s, relaties, en dingen die bij (normale) mensen horen.
Moet ik me dan gaan opdringen, zo van, héééé spreek eens met mij af!
Oké, da’s overdreven, maar toch, zo gaat dat in mijn hoofd.

En dan is er ook nog de angst dat ik moet afzeggen wegens flauwvallerij.
Heel erg klote, want dat is dan altijd nogal last-minute.
Ik kan niet rekenen op mijn eigen lijf.
En ik verdenk mijn hoofd er soms ook van in een stressmodus te gaan als ik ergens naartoe moet, en mij daardoor tegen de vlakte gooit.
Ik ben veel te veel een ‘wat als dit’ en ‘wat als dat’ mens.
Rampscenario nodig?
I’m your girl!

En tenslotte komt het er vaak op neer dat ik dus uitstel of zelfs opgeef.
Dat opgeven kan door bovenstaande redenen komen.
Maar soms ook omdat ik het gevoel krijg dat het maar van één kant komt.
Dat alleen ik vragende partij ben en de anderen niet alleen door redenen van drukte enzo niet kunnen afspreken, maar gewoon eigenlijk niet willen.
Oké, zwaar uitgedrukt.
Misschien geen tijd kunnen maken, of willen maken.
Ho de dubbelheid!

Wat ik eigenlijk wil zeggen…
Want ik ben hier allerlei zware beweringen/uitdrukkingen aan het doen die helemaal niet zo bedoeld zijn maar wel kei verkeerd kunnen overkomen.
Waar het op neerkomt.
Ik zou het fijn vinden om eens uitgenodigd te worden om iets te doen.
Door ‘verre’ en ‘dichte’ vrienden die ik al een tijdje niet gezien heb.
Want soms heb ik het gevoel dat de eerste stap altijd van mij moet komen, snapte?

Maar ik wil ook geen blijtwijf zijn en zitten klagen, helemaal niet!
Want uiteindelijk weet ik wel dat er heel veel mensen voor me klaarstaan als dat nodig is.
En dat de heel ‘dichtbije’ vrienden enorm belangrijk zijn, en die zijn dan ook nog eens heel tof en lief enal.
En nu ga ik toch een blijtwijf worden, maar dan op een sentimentele manier.

Oké, doei, blijtwijf over&out.

Van zwerfschoenen en het geheime leven van vlimmekes

Als ik door de straten wandel kijk ik best vaak naar de grond.
In eerste instantie om te zien waar ik stap.
Ik val al genoeg, een val door slechte stoeptegels of uitstekende boomwortels of mijn eigen lompe voeten probeer ik zo goed mogelijk te vermijden.

Maar ik vind het vaak ook interessant, om een bepaalde manier.
Je moet er eens op letten, wat er allemaal op de grond te zien is.
De tuttefrutten op de stoep, peuken in de goot en papiertjes van snoep.
Zwerfvuil dus.
Dat hoort erbij.
Weinig interessant en vooral nogal triestig.
Tenzij de tuttefrutten een patroon vormen.

Maar wat wel interessant is, zijn bepaalde ‘vlekken’ op de straatstenen.
Om je dan af te vragen waar die vandaan komen.
Zo ligt er op de stoep voor een school hier vlakbij een soort ‘klets’ gouden verf.
Uiterst fascinerend vind ik dat.
Wellicht is die er door een jeugdbeweging of chrysostomos’ers gesmost.
Maar ik verzin dan liever een verhaal van de gesmolten kroon van een prinses.

Vlekken van verf zijn sowieso interessant.
Daar hoort altijd een verhaal bij.
En ik verzin graag verhalen.
Gekke, mysterieuze, totaal ongeloofwaardige of gewoon mooie.
Het is leuk dat er uiteindelijk bij alles wel een soort verhaal hoort.
Of op z’n minst een verklaring of een geschiedenis ofzo.

Maar eigenlijk vind ik vooral de minder voor de hand liggende dingen leuk om te spotten.
Allee, nu niet dat ik verwacht iets kweenieoegrellig in de goot te zien liggen hoor.
Maar zo een sleutelhanger, een oorbel, een haarelastiekje, dat soort dingen.
Daar horen echt toch verhalen bij.

Vroeger verzamelde mijn zus de tutjes die ze op straat vond.
Dat is iets wat me altijd een beetje triestig stemt, als er een tutje of een knuffeldiertje ofzo ergens achtergebleven is.
Met een babysokje moet ik dan weer een beetje gniffelen altijd.
Elke baby heeft toch die fase van sokken uittrekken en uit de buggy gooien.
En aan een sok is niemand toch echt overdreven gehecht he?

Ik heb het wel altijd heel erg bizar gevonden om sokken of schoenen in een bos te zien liggen.
Hoe komen die daar in godsnaam?!
Denkt iemand dan tijdens een wandeling, oh, ik doe even één schoen uit!
Of, ik laat hier een sok achter, dan weet iedereen dat ik hier geweest ben!
Serieus, dat vind ik een zeer groot onverklaard mysterie.
Dat van zwerfschoenen en sokken in het bos.

Er is ook één ding dat je echt heel vaak op straat ziet liggen.
Vlimmekes.
Ge weet wel, van die schuifspeldjes, bobby pins.
Die dingen lijden echt een eigen leven!
Elk meisje kan dat beamen!

Ge koopt zo’n speldjes in een pakje van 50 ofzo.
Na een maand is ongeveer de helft spoorloos verdwenen.
Volgens mij houden die vlimmekes een soort collectieve uittocht zo nu en dan.
Vooral de dag vlak voor je die nodig hebt om je haar op te steken.

Al moet ik bekennen dat er bij mij nog een andere reden is waarom mijn vlimmekes niet in hun bakje in de schuif liggen.
Als ik midden op de avond beslis dat ik mijn opsteekkapsel los wil doen, dan stop ik die speldjes in mijn portefeuille of mijn sjakos.
Er zit dus een gezellig kliekje speldjes in een vakje naast mijn kleingeld.
En in zowat elke sjakos zwerven wel wat vergeten vlimmekes.

Maar toch ben ik er van overtuigd: vlimmekes zijn sneaky bastards die graag op de vlucht slaan en verstoppertje spelen.
Ik denk dat die kleine trutten zich in een hoekje verschuilen en mij stiekem zitten uit te lachen als ik in mijn schuif sta te rommelen.
Of dat ze gewoon uit mijn haar springen op straat om de wijde wereld te verkennen.
Dat kan ook.

Van nonnen met gekleurd haar en de maaienfrigo

Vorig weekend gingen we naar zee.
Op familieweekend.
Een traditie sinds 31 jaar.
Langer dan ik leef dus.
Elk jaar naar ‘de villa’ in Oostduinkerke.

Vroeger met echt héél de familie.
In het begin inclusief moemoe en vava en de tante nonnekes.
Daarna zonder hen.
Maar met de eerste lieven van neven en nichten.
En dan met de eerste kleinkinderen.
En dan zonder sommige tantes, nonkels, neven, nichten en kleinkinderen.
We waren dit jaar met 15, maar de helft van het recordjaar, ooit.

Maar het was sowieso plezant!
Op vrijdagochtend vertrok ik met moeder en vader richting Kortrijk.
Vader had een dagje vrij, dus we hadden nog een hele dag voor het zee-weekend.
Ik stelde voor om naar de PLAY expo in Kortrijk te gaan.
Enorm plezant!
Mooie, originele en soms wat gekke kunst verspreid door de stad.
Tel daar prachtig weer en een lekker lunchke bij en ge weet dat we ervan genoten hebben.
(Al gebied de eerlijkheid mij te zeggen dat ik er niet speciaal voor op-en-af zou gaan, aangezien Kortrijk een pokke-eind weg is, maar als je er een weekendje in de streek van kan maken; keihard doen! Want Kortrijk is trouwens ook heel mooi en gezellig en opvallend proper en kei fiets- en wandelvriendelijk!)

Na ons culturele uitje in Kortrijk bolden we verder naar ‘onze zee’.
Elk jaar opnieuw word ik een beetje nostalgisch daar.
Ik heb daar zo enorm veel mooie herinneringen aan, aan die familieweekends.
Ik verbaas me er de laatste jaren ook telkens weer over dat het totaal niet koud is.
(En dan gaat er een koude rilling langs mijn ruggengraat, want klimaatopwarming)

Vroeger zeulden wij mutsen en sjaals en dikke jassen mee voor de avondwandelingen naar het strand.
Gewapend met pillampen, met ons botten aan, want dan konden onze voeten niet nat worden.
Dat was altijd spannend en leuk en stoer, vond ik, die avondwandeling op vrijdag.

Ik had in mijn kinderjaren zo’n ‘krantenjongenspet’ die ik vaak droeg in de winter.
Mijn tante noemde die mijn ‘treiterpet’, ze trok die graag zo vaak mogelijk over mijn ogen, tot aan mijn neus.
Die pet blijft onlosmakelijk verbonden aan de zee.
Onze zee, Oostduinkerke.

Toen we zondag naar het dorp wandelden zagen we bloemen in de berm staan.
In herkende ze meteen.
Het waren de bloemen die vroeger bij moemoe en vava langs het huis en het kot stonden.
Mama vertelde dat vava die ooit daar had uitgestoken en thuis geplant had.
En al die jaren hebben die bloemen overleefd.

Telkens we daar aan onze zee zijn komen er mooie herinneringen boven.
De tante nonnekes met hun haar in gekke kleuren gespoten met van die spuitbussen voor carnaval, een nonkel die in zijn zwembroek stond te koken omdat hij geen short bij had en een lange broek te warm vond, de wit gespoten katsjoe botten die mijn tante droeg voor haar act als Dolly Parton, dat jaar dat het strand vol aangespoelde zeesterren lag en hoe we op zondag met de neven en nichten go-carts molesteerden door er mee van de berg te vlammen en net op tijd de remmen strak trokken, met verbrand rubber en rook van de banden tot gevolg.

De herinneringen zijn eindeloos.
En zoals dat bij mij gaat roept de ene herinnering de andere op.
Ik dacht dus aan de dagen die we bij moemoe en vava doorbrachten als kind.
En dat ik eigenlijk nog niet zo lang geleden nog over hen verteld had tegen vrienden.
Over hoe we vava hielpen met pieren vangen voor het vissen.
Dan staken we de riek in het gras en wiegelden tot ze naar boven kwamen kruipen.
En dan moesten we die glibberige beestjes in een doosje doen.
En dat doosje ging in de frigo in het werkkot van vava.
In de maaienfrigo.
Want dat had hij ook om te gaan vissen, maaikes.

Ook in Kortrijk moest ik aan mijn kinderjaren bij mijn grootouders denken.
Er was een kunstwerk waar je van pagina’s uit kunstmagazines zo vakkundig mogelijk een pijltje moest rollen, om dat dat met een blaaspijp naar de targets te schieten.
De kunstenaar demonstreerde in een filmpje hoe het moest.
Het lukte mij niet.
Misschien omdat mijn gedachten naar vroeger gingen.
Toen wij met onze blaaspijpen eikels en besjes en propjes afvuurden.

En dan dacht ik ook weer hoe content wij toch waren.
Hoe wij ons met iets simpels als een stuk buis konden amuseren.
Hoe vindingrijk we waren.
En hoeveel streken we ooit hebben uitgehaald.
Geweldig vind ik dat.

Als de zon op dit moment zou schijnen, ik zou naar buiten gaan.
Met een stuk van een zwarte vuilniszak en een vergrootglas.
Om dat stuk plastiek te laten fikken.
Terug even een soort van pyromaantje te zijn.
Misschien een geluk dat de zon nu niet schijnt dus.

Van lieve kiddo’s en gemiste verkiezingsideeën

Na mijn schrijfseltje over de meisjes achter de haag kreeg ik bezoek.
Van die twee meisjes. (en hun mama)
Met cadeautjes!
Ze hadden allebei een tekening voor mij gemaakt.
En de grootste ook een vlinder uit plasticine waarvan ons mama eerst dacht dat het een ballerina zonder kop was, ofzoiets, erg gekke gedachte.

Tekeningen met glitterplakband en hartjes en plasticinevlinders in blauw en roze en met glitters doen mijn hart smelten.
En daarna keihard ontploffen.
Ik was zo blij met die lieve, mooie dingen!
En toen de mama dan ook nog vertelde dat ze de tekst zou laten afdrukken om thuis op te hangen begon dat hart even hard te glitteren als de plakband en de vlinder.

Om dus maar te zeggen, ze vonden het tof, mijn schrijfseltje.
En ik vond het tof om te schrijven, wat een win-win!
Telkens ik de meisjes achter de haag zie of hoor denk ik er weer aan.
En als ze weer eens geweldige uitspraken doen denk ik soms zelfs aan een vervolg.
Zo lag ik afgelopen weekend in een deuk toen ik de kleinste (ze moet nog drie worden als ik me niet vergis) ‘oh my god’ hoorde zeggen.
Mijn vader en ik stonden te gniffelen bij het horen van die woorden uit de mond van die kleine pagadder!

Een hele tijd geleden zat ik met wat vrienden op een terras.
Het zoontje was net 1 jaar geworden.
Bij papa op schoot besloot hij dat die wel wat mager was (wat zo is).
Dus plukte hij bloemetjes uit de bloembakken achter papa’s rug en propte die vastbesloten in vader’s mond.

Die kleine man (die wij weleens Dino noemen) vindt het volgens mij belangrijk dat iedereen goed eet.
Als hij op zijn koek zabbert duwt hij die ook steevast in de dichtstbijzijnde mond.
Zeer aangenaam, van die koekenprut vol zever die in je smoel wordt geveegd.
Maar zijn eigen smoeltje erbij maakt het wel goed.

Afgelopen weekend las ik ook de beste dingen over de verkiezingen op Instagram en Facebook.
Hoe de achtjarige zoon van een vriendin tegen haar zei dat zij beter voor hem ging stemmen, want ‘jij weet meestal beter wat goed voor mij is’.
En hoe sommige kinderen tegen hun vader hadden gezegd dat ze niet voor ‘een bepaalde partij die ik even niet ga noemen‘ mocht stemmen, want dan mocht hij niet meer binnen.

Een andere moeder besprak de verkiezingen met haar twee jaar oude dochter.
Die wilde ook wel gaan stemmen.
Maar ze moest wachten tot ze 18 was, ‘nog zo laaaaaang?!’
En dan ging ze wel op zichzelf stemmen, wantja, natuurlijk.
En dan zou ze de stad beter maken met veel paarden met een karretje erachter en zo iemand die vandoor zit, en soms ook paarden met een zadel.
En snoepwinkels! En ijsjeswinkels! En chocoladewinkels!
En (wait for it!) rijstkoekenwinkels!
En een nieuwe voordeur voor elk huisje!
En in elk huisje woont een leeuw!
– Is dat niet gevaarlijk dan?
Nee, want het is een lieve!

Ik besefte de gemiste kansen in mijn eigen verkiezingsprogramma!
Kinderen hebben sowieso de beste ideeën .
Ik denk dat ik over zes jaar ten rade ga bij de meisjes achter de haag!

Van de meisjes achter de haag en zachtjes gniffelen

Achter de haag wonen twee kleine meisjes.
Ik hoor ze spelen in de tuin.
Ik hoor hun verhalen en hun gekke vragen.
Ik hoor hun nog gekkere antwoorden.

Ik hoor ze koekjes en soep en ijsjes en cappucino maken in hun zandbank, voor hun moeders.
‘Want dat vind je wel lekker, hè?’
‘Dat lust je graag, hè? Hè?’

Ze roepen ‘Frie! Ben je daar?’
Naar mijn mama, aan onze kant van de haag.
Maar ze zien haar niet – wacht even!
Ze kruipen op de toren van hun speeltuig om over de haag heen te kijken.
Nee, ze zien mijn moeder niet, alleen haar kleren.
De was hangt te drogen.

Ze laten zich al niet veel meer wijsmaken, die twee deugenietjes.
Want nee mams, plantjes praten niet!
En nee-hee mama’s eten geen kindjes, en ook geen gras!
En kindjes eten ook geen gras, want ik ben een kindje, hè, en ik eet geen gras, da’ waar hè?

Ze houden van pannenkoeken en pistoletjes en sapjes en theetjes.
En van prinsessen en tekenen.
Ze zijn nieuwsgierig zoals kinderen nieuwsgierig horen te zijn.

Ze zijn de meisjes achter de haag die me vaak doen gniffelen.
De meisjes die me aan vroeger doen denken.
Waardoor ik zin krijg om te schommelen en kampen te bouwen en te picknicken.

Soms zijn ze boos zoals kleine meisjes dat kunnen.
Heel anders dan de grotere kinderen enkele huizen verderop.
Soms willen ze niet gaan slapen of zich niet gaan wassen.
Dan wil ik plots heel graag in bad.
(Alleen hebben wij geen bad, wat die kwestie nogal problematisch maakt)

Soms zingen ze liedjes en dan beeld ik me in hoe ze dansen.
Net zoals ik dat vroeger met mijn zusje deed.
En ik denk aan de verhaaltjes die mijn vader vroeger in bed voorlas.
En dat ik daarom zelf zo graag voorlees.

Soms ga ik heel stil in de tuin zitten om te luisteren.
Naar die twee kleine meisjes achter de haag.
En een beetje nostalgisch te wezen en zachtjes te gniffelen bij wat ik hoor en denk en droom.
Soms kan het allemaal voor even heel erg simpel zijn.