Van niet goed genoeg maar blijven schrijven

Ik schreef de laatste weken heel veel halve stukjes.
Ik kwam altijd ergens vast te zitten.
Misschien omdat het over wat meer oppervlakkige onderwerpen ging.
Ik wilde wat luchtiger schrijven.
Omdat ik het gevoel had dat mijn blogs de laatste tijd altijd over wat zwaardere onderwerpen gingen.

Maar ik besefte daarnet dat er misschien wel een reden is dat die blogs over meer oppervlakkige onderwerpen nooit af geraken.
Omdat ze nu eenmaal oppervlakkig zijn.
Omdat ik dan niet zo fel op gevoel schrijf, maar meer op gedacht.

Ik wilde meer op gedacht schrijven, maar het lukte niet.
Dus moet ik op gevoel schrijven.
Ook al herhaal ik dan heel wat dingen.
Dan is dat maar zo.
Mijn excuses, maar toch ook een beetje niet.

Ik weet niet waarom ik ineens dat besef kreeg.
Misschien door het lezen van enkele interviews in Humo.
Bijvoorbeeld eentje met Will Tura.
Hij zei dat hij zou stoppen als het niet meer is zoals hij het wil doen.
Ik denk dat dat een lichtje deed branden.

Ik ben een kleine twee weken geleden voor het eerst naar een nieuwe psychologe geweest.
Het was jaren geleden dat ik nog naar een psychologe geweest was.
Ik ging enkel nog naar mijn psychiater, om de 2-3 maanden.
Ik vond (en vind, eerlijk gezegd) mezelf nogal een hopeloos geval.
Maar ik heb uiteindelijk mijn moed bijeen geraapt en het lood uit mijn schoenen geschraapt en ik heb een afspraak gemaakt en ik ben gegaan.

En het was me meegevallen.
Het was zwaar, dat wel, maar dat is normaal zeker.
Ik heb nadien vooral over één vraag nagedacht.
Ze vroeg of ik perfectionistisch ben.
Mijn eerste gedacht was ‘nee’.
Omdat ik vind dat ik dat niet ben op vlak van… veel dingen.

Ik ben niet perfectionistisch op vlak van mijn uiterlijk.
Gewoon is meestal goed genoeg.
Ik draag zelden make-up en mijn haar zit bijna altijd hetzelfde.
En ook op andere vlakken ben ik naar mijn mening niet echt perfectionistisch.
‘Goed genoeg’ vind ik wel oké.

Maar toen vroeg ze of ik heel vaak ‘ja’ zeg als mensen me iets vragen.
En of ik mensen vaak wilde plezieren.
Want dat is ook perfectionisme.
Dus ja, lap, nagel op de kop.
Ik ben een people pleaser.
En ik wil altijd door iedereen leuk gevonden worden.

Ik vind mezelf nooit goed genoeg.
Lap.
Ik ben dus een perfectionist op sociaal vlak.
Ik wil leuk en goed en gezellig en grappig en weetikveelwat zijn voor iedereen.
En dan ook nog de juiste dosis sarcasme en snedige opmerkingen want anders ben ik een seut.

Ik trek me teveel aan wat mensen van mij denken.
Vooral wat ik denk dat ze van mij denken.
Want ik kan tot op heden nog geen gedachten lezen.
(Al lijkt me dat ook weer heel erg freaky)
Maar in mijn hoofd denken mensen vanalles over mij.
En het slechtste eerst.

Ergens weet ik natuurlijk echt wel dat er maar een minderheid is die slechte dingen over mij denken.
Maar ik denk behoorlijk doem.
Er zijn heel veel redenen waarom mensen mij niet goed of tof ofzo zouden vinden.

Op goede dagen denk ik dan F* it, maar op slechte dagen maalt dat dagen en weken door.
Er zijn zelfs opmerkingen die ik me jaren nadien nog aantrek.
En ja, ik weet dat ik moet loslaten en me er moet over zetten.
Maar er zijn dingen die gezegd zijn die nog steeds nazinderen.
Zelfs vijf of meer jaren later.
De meeste zijn vergeven, maar vergeten kan ik ze niet.
En sommigen kan ik ook niet vergeven, omdat ze me meermaals hetzelfde lapten.

Ik weet wel dat het klopt wat mijn vrienden dan zeggen.
Dat ze die woorden uit onwetendheid of lompheid gezegd hebbben.
Dat ze zelf niet beseffen dat ze iets verkeerd zeggen.
Of in andere gevallen dat ze het zeggen om zich zelf beter te voelen.
Zich superieur willen voordoen, omdat ze er niet tegen kunnen dat ik..
Whatever.

Maar het doet elke keer weer pijn.
En ik vergeet dat niet.
Hoe die woorden als een kogel binnen kwamen.
Misschien ben ik daardoor zelf ook soms iets te defensief of grof.
Als pantser.
Omdat ik geen doelwit wil zijn.
Maar dat vaak wel ben, en een gemakkelijk zelfs.

Ik moet vooral blijven schrijven.
Mijn hart luchten.
En dan mag iedereen commentaar hebben.
Maar het is dan toch even van me af geschreven.

En misschien denkt iedereen nu twee keer na alvorens iets over een ander te zeggen.
Hopelijk.

Over… voornamelijk ‘niks’

Er zijn vaak lastige momenten.
Die heeft iedereen.
Om heel erg veel redenen.
Maar de laatste tijd knaagt er toch iets net wat harder.
Dat ik niets ‘ben’.

Ik bedoel, ik ben vanalles he, maar ik heb het over ‘levensgewijs’ ofzo.
Ik ben een vrouw, zus, dochter, nicht, vriendin, patiënt, ‘blogger’, binge-watcher, twijfelaar, nieuwsgierigaard, lezer, uitsteller, slaapkop, etc.
Maar ik heb geen beroep.
Ik heb geen diploma.
Ik heb geen echte toekomstperspectieven.

De aanleiding daarvoor zijn meestal gesprekken over werk enzo.
Op zich vallen die wel mee, het is pas achteraf dat ik daar over ga piekeren.
En mezelf verwijten ga maken.
Maar het zijn nog meer de gesprekken over mezelf.
De vragen die ik, net als iedereen waarschijnlijk, regelmatig kwijt.

‘Wat doe je van werk?’
‘Wat heb je gestudeerd?’
Op beide vragen is het antwoord ‘niks’.
En daar schaam ik me vaak voor.

Een tijd geleden had ik een gesprek met een kennis.
Hij stelde dus ook die vragen.
En met een scheef gegeneerd lachje haalde ik een schouder op.
‘Niks. Ik heb mijn school niet afgemaakt.’
Hij schrok zichtbaar, maar herpakte zich snel.

Er volgde een gesprek over dromen en wensen.
Hij vroeg wat ik als kind graag wilde worden.
En toen zei hij: “Maar Silke, gij zijt toch een intelligente vrouw”
Weer mijn scheef lachje, schoudertrek en wellicht een rode kop.
Hij verontschuldigde zich, hij bedoelde dat positief he.
Die verontschuldiging was ook helemaal niet nodig.
Ik vond het een heel mooi compliment.

Maar ik snapte wel waarom hij zich verontschuldigde.
Misschien had het geklonken alsof het niet normaal was dat een intelligent persoon geen diploma of job heeft.
Misschien klonk het alsof mensen zonder diploma of job meestal niet intelligent zijn.
Ik begreep het, wat hij bedoelde.
En drukte hem op het hart dat ik het als een compliment beschouwde.

Maar dit soort gesprekken maak ik wel vaker mee.
Mensen schrikken er van dat ik ‘niks’ heb.
Dat ik niet gestudeerd heb.
Dat ik zelfs mijn middelbaar niet heb afgemaakt.
En ergens snap ik dat hoor, dat ze dan verbaasd zijn.
En het steekt mij ook enorm, dat het zo is.
Maar er zijn natuurlijk redenen waarom het zo is.

Ik vraag me natuurlijk ook weleens af wat ik gedaan zou hebben als ik geen schoolfobie had gehad en geen angstproblematiek.
Hoe ik dan mijn middelbaar zou hebben afgemaakt.
Of ik in mijn ASO richting was gebleven of toch ook voor KSO had gekozen.
Wat ik daarna zou zijn gaan studeren.
Of ik op kot zou zijn gegaan.
Of ik weet-ik-veel-wat-allemaal.

En waar ik jobgewijs terecht zou zijn gekomen.
Omdat mijn interessevlak behoorlijk breed is.
Tijdens mijn leercontract deed ik verschillende dingen.
Ik was eerst vooral met internet bezig.
Sociale netwerksites, online advertising, contentbeheer, en dat soort dingen.

Daarna deed ik meer administratie.
In de héél brede zin van het woord.
Maar ook een stukje communicatie en wat organisatie en wat begeleiding en..
Ik deed eigenlijk ook vaak de dingen waar de collega’s geen tijd voor hadden.

Toen mijn leercontract afliep ging in in een boekenwinkel werken.
Op mijn lijf geschreven zou je zo denken.
Tussen de boeken, verkopen (ik kan het goed uitleggen), onder de mensen.
Die job combineerde ik nog een halfjaar met een vervanging als webmaster.
En toen ging het mis.
Het flauwvallen begon.
Dat is nu ongeveer acht jaar geleden.
En ik ben nog geen stap verder.

Ik hoor u nu al denken, jamaar, na dat leercontract had je toch nog iets kunnen gaan studeren ofzo?
Ja, maar ik had nog geen diploma van’t middelbaar.
En op de schoolbanken gaan zitten, zelfs in volwassenen- of avondonderwijs zat er toen nog helemaal niet in, dat kon ik op dat moment niet aan.
De angsten waren nog te groot.
Daardoor was mijn leercontract ook spaak gelopen.
Op die ene stomme dag naar school gaan.

Ik weet hoe stom dat klinkt.
Dat ik zelfs niet één simpel dagje in de week in dat lokaal kon gaan zitten.
Om daar echt heel simpele lessen te volgen.
Ik snap het zelf ook niet.
Dat ik dat niet kon.
Maar ik blokkeerde gewoon, elke dinsdag.

Letterlijk.
Ik kromp ineen in bed, vaak al de avond voordien.
Ik had buikpijn, hoofdpijn, was misselijk.
Het begon soms al op maandagmiddag.
Ik kon mezelf wel slaan.
Zelfs kalmeringsmiddelen hielpen niet om die angst te overwinnen.
Ook net om minstens niet meer te verkrampen.

Ik heb veel gehuild.
Ben een tijdje ook niet meer naar mijn leerplaats geweest.
Ik was zo enorm beschaamd.
Anderhalf jaar was dat goed gegaan.
En toen, boem, gedaan.
Alsof die kwelduivel me wilde pesten.

Dat is misschien wel het meest juiste woord.
Kwelduivel.
Ik had soms het gevoel dat mijn hoofd me gewoon uitlachte.
“Haha, stomme Sil, ziet ge wel dat ge het nie kunt!”
Over het ondermijnen van (zelf)vertrouwen gesproken…

Toen ik niet meer naar die lesdagen moest gaan viel er een blok van mijn schouders.
Het had me een paar weken tijd gekost om de moed bij elkaar te rapen om naar mijn leerplaats te gaan om het te bespreken.
Ik had hen wel op de hoogte gebracht, en zij wilden me alle tijd geven.
De schatten, ze hebben me altijd heel erg gesteund.
Toen ik daar met knikkende knieën en de tranen in mijn keel terug aankwam waren ze zo lief en warm.
Ze beloofden me dat ik altijd welkom was.

In overleg met de school mocht ik de rest van het schooljaar, tot augustus, voltijds daar gaan werken met het leercontract.
Daarna zou het ophouden, want die lesdag hoorde bij het traject.
Maar de wetenschap dat ik nog een halfjaar op mijn leerplaats kon blijven werken gaf me de rust die mijn hoofd zo hard nodig had.
Ik wist dat ik na augustus werk zou moeten zoeken, maar dat was oké.

En zo bleek ook, ik was maar een maand thuis om te solliciteren voor ik aan de slag kon in een boekenwinkel.
Ik had natuurlijk wel gedroomd over een job in de kunstensector, zoals ik die ik deed bij mijn leerplaats, Villanella. (<3)
Maar ik wist ook wel goed dat ik geen diploma had, enkel ervaring.
Dus als het er op aan zou komen… tja.

Dit verhaal kan ik wel vertellen als mensen me vragen wat ik van werk gedaan heb enzo.
Maar het valt me soms toch heel erg zwaar.
Ik wil graag terug werken maar het is gewoon niet mogelijk momenteel.
En ik weet ook niet wanneer het wel terug zou kunnen
De toekomst is een vage vlek.

Als ik morgen niet meer flauwval en geen conversies meer heb, wat dan?
Als ik de angsten kan overwinnen, of toch minstens de baas kan.
Ga ik dan niet hervallen na een tijdje?
Want dat is wel een beetje story of my life, hervallen. (En vallen, stfu, hoofd!)
En ik heb ook geen idee wat ik zou willen en kunnen gaan doen.

Ik weet dat het nu nog niet kan.
Ook omdat ik nu al angstig word als ik aan de toekomst denk.
Dat gevoel is veel te overweldigend.
Ik denk dat ik pas als die angsten onder controle zijn, ik kan gaan denken aan wat ik zou willen doen.
Zolang mijn keel dicht knijpt en de tranen omhoog komen als ik aan ‘later’ denk ben ik er niet sterk genoeg voor.
Maar ik blijf wel geloven dat dat komt.
Mijn overwinning.

Twee doelen dus, voor dit intelligente meisje.
Geen conversies meer en angst de baas kunnen.
En dan, dan zien we wel, zeker?

Van verliefd op Bart Moeyaert en luisteren naar mijn soort stilte

Bart Moeyaert werd gisteren in Stockholm gehuldigd als winnaar van de Astrid Lindgren Memorial Award.
De Nobelprijs van de jeugdliteratuur.
Na zestien keer genomineerd te zijn won hij dit jaar.
En terecht!

Bart Moeyaert is al heel lang één van mijn favoriete schrijvers.
En eigenlijk vooral ook één van mijn favoriete dichters.
En zeker ook één van mijn favoriete vertellers.

Ik was redelijk jong toen ik zijn werk leerde kennen.
Het was niet direct grote liefde als ik eerlijk moet zijn.
Het eerste boek dat ik van hem las vond ik redelijk… moeilijk.
Maar dat bleek nadien aan mijn jonge leeftijd te liggen.
Hij mikte toch op een lezerspubliek van een jaar of vier ouder dan ik toen was denk ik.
Toen ik het twee jaar later een nieuwe kans gaf besefte ik dat helemaal.
En ik werd verliefd.

Mijn favoriete boek van hem is zonder enige twijfel Broere.
Zijn roman waarin hij vanuit het standpunt van hemzelf als kind, over zijn kindertijd vertelt.
Over het gezin met zeven broers.
‘De oudste, de stilste, de echtste, de verste, de liefste, de snelste en ik.’ (de jongste)

In dat boek word je gewoon meegezogen, serieus.
Maar ook ‘De Schepping’ vind ik prachtig.
Ik hoorde hem dat verhaal voor het eerst voorlezen op de Molse Nacht van de Poëzie.
Ik weet niet juist meer in welk jaar dat was.
Ik gok 2005 ofzo.
Dat jaar las ik zelf voor de eerste of misschien tweede keer voor op die ‘nacht’.
Ik heb er ergens nog wel foto’s van, ik zou het eens moeten opzoeken.

Maar Bart las dus voor uit ‘De Schepping’.
Dat verhaal begint zo:
“In het begin was er niets. Het is moeilijk om je dat voor te stellen. Je moet alles wat er nu is nog niet laten zijn. Je moet het licht uitdoen, en er zelf niet zijn, en dan ook nog eens al het donker vergeten, want in het begin was er niets, ook het donker niet. Als je het begin van alles wil zien moet je erg veel weglaten. Ook je moeder.”

En het stukje dat me daarna altijd is bijgebleven, is iets in de trant van het volgende:
“Er was niets, alleen ik en een stoeltje om op te zitten, want het niets duurde heel erg lang.”

Ik heb nu nog steeds spijt dat ik het boek met bijhorende cd niet heb.
(Cadeautip, moest ge hem ergens zien te vinden…)
Dat jaar op de Molse Nacht van de Poëzie koos ik namelijk voor een kussensloop met mijn favoriete gedicht van hem.
(Mijn vader stond daar met een standje van onze boekenwinkel en ik mocht elk jaar iets uitkiezen)

Ik vroeg Bart om het te signeren.
Mijn vader zei: ‘Haal je beste handschrift maar boven, want het is voor mijn dochter!’
Bart tekende een mannetje (dat hemzelf moest voorstellen) en schreef op de sloop:
“Silke, Goedenacht, altijd! Veel Liefs, Bart”.
En hij gaf me een kus en een compliment over het gedicht dat ik op het podium had voorgedragen.

In de loop der jaren kwamen mijn vader en ik hem nog wel eens tegen op de boekenbeurs.
En hij kende mij nog, hoe grappig is dat!
Wellicht omdat mijn vader er bij was, maar soit, dat is een detail.
Ik ben hem altijd blijven bewonderen.

Ik denk dat ik al zijn dichtbundels heb, de meeste zelfs gesigneerd.
En qua romans heb ik er ook wel wat in mijn kast staan.
Maar eerlijk is eerlijk, het meest hou ik van zijn gedichten.
Mijn lievelings, dat van de kussensloop, is trouwens Siberië.
Dat ken ik ook helemaal uit mijn hoofd.
En als ik mijn ogen sluit hoor ik het hem voorlezen.

Zijn stem heeft iets heel rustgevends, zelfs een beetje hypnotiserend.
Hij heeft een uniek accent en een ongelooflijk warme klank.
En dan is hij nog een knappe, intelligente en charmante man ook!
Jaja, ik geef het toe, ik was als tiener een beetje verliefd op hem.
Helaas voor mij is houdt hij net als ik van knappe mannen en is hij getrouwd.

Nu ik er over nadenk heb ik één van mijn andere poëtische helden ook leren kennen via De Nacht.
Dat is namelijk Tjitske Jansen.
Een Nederlandse madam die leuke, herkenbare, ritmische gedichten schrijft.
Toen zij optrad op De Nacht was ik meteen verkocht.
En ik koos dus ook voor haar bundel ‘Het moest maar eens gaan sneeuwen’ mét cd, als cadeautje van mijn vader.

Maanden aan een stuk luisterde ik voor het slapengaan naar die cd waarop zij haar gedichten voorlas.
Ik kon ze op den duur allemaal mee opzeggen.
Nog steeds ken ik hele stukken vanbuiten.

Ik ben nogal auditief eigenlijk.
Ik onthou dingen beter als ze gezegd zijn dan als ze geschreven zijn.
Iedereen weet dat ik een enorme prater ben.
Maar ik luister ook heel graag.
Ook naar de stilte.

Mijn eigen soort stilte.
En als die stilte er is, dan luister ik naar de gedichten in mijn hoofd.
De stemmen van poëten die hun prachtige teksten in mijn oren fluisteren.
En dan is alles eventjes helemaal goed.

Van vroeger en mijn kleuterherinneringen en hoe geweldig mijn ouders zijn

De eerste zes jaar van mijn leven bracht ik door in wat in de volksmond -zeker toen- een kindertehuis genoemd wordt.
Het was een instelling waar kinderen werden opgevangen waarvan de ouders er niet voor konden zorgen.
Zo legden mijn ouders het mij als jong kind uit.
Het was een gezinsvervangend tehuis.

Een pleegtehuis met inwonende gezinnen.
Een bijzondere situatie voor mij om in op te groeien, want ik woonde daar met mijn ouders.
Ik snapte het als kind dus niet helemaal, wat natuurlijk normaal is.

Maar ik vond het fijn daar.
Mijn mama en papa waren ook een beetje mama en papa voor de andere kinderen daar, maar ik heb me toen nooit afgevraagd hoe dat nu allemaal juist zat.

Mijn zus en ik hadden elk een slaapkamer.
Mijn ouders ook, met aangrenzende badkamer.
We hadden ook een privé living.
Wat, als ik er nu aan terugdenk, toch wel noodzaak was op sommige momenten.

Toen ik geboren werd stonden alle namen van de kinderen die bij ons in het ‘home’ verbleven op mijn geboorteposter als mijn broers en zussen.
Mijn ouders waren ‘de baas’ zoals ik toen dacht, van het tweede home.
In totaal waren er drie.
En een bijhuis voor de grote meisjes en eentje voor de grote jongens.

Ik vond het fijn om altijd iemand te hebben om mee te spelen.
En het was zo gezellig om met z’n allen aan die gigantische tafel te eten.
Ik heb als kind eigenlijk nooit echt gemerkt dat die andere kinderen uit soms heel erg moeilijke en zelfs schrijnende situaties kwamen.
En dat het opgroeien in zo’n home eigenlijk niet de normale gang van zaken is in een kinderleven.

Die vragen heb ik me pas veel later gesteld.
Ik begon me op een bepaalde leeftijd af te vragen of die kinderen gelukkig waren.
Of ze zich geliefd en begrepen voelden.
Of ze hun ouders en familie niet heel erg misten.
Of zelfs gewoon al hun bekende omgeving.
Want vaak waren die kinderen best ver van huis.

Ik kan er geen antwoord op geven, want ik heb het nooit iemand persoonlijk gevraagd.
In 1996 zijn wij verhuisd.
Ik was zes en zou in Mol naar het eerste leerjaar gaan.
Mijn kleuterschool had ik in Veerle gedaan.

Eigenlijk herinner me ik die verandering niet heel specifiek.
Ik weet nog dat mijn grootvaders en nonkels ons ‘nieuwe huis’ aan het verbouwen waren.
Dat was een heel groot huis met beneden papa’s boekenwinkel.
Daarachter bevond zich nog een zaal en daarachter een gigantische tuin mét een echte bunker!
En mijn nieuwe school was gewoon aan de overkant van de straat!

Maar hoe ik me bij die verhuizing voelde en of ik Levensruimte en de andere kinderen heel erg miste, dat weet ik helemaal niet meer.
Ik heb nog een herinnering aan mijn zesde verjaardag, de eerste in Mol.
Ik verjaar eind augustus, dus het was toen we net in ons nieuwe huis woonden.
Misschien is die herinnering er zelfs voornamelijk eentje van de foto’s.
Al hoor ik vava nog altijd schateren, toen mijn kroon over mijn ogen zakte toen ik mijn kaarsjes aan het uitblazen was.

Met mijn eerste communie kreeg ik wel twéé feesten!
Eentje de dag zelf, met de hele familie.
Toen ik mijn fiets kreeg waar ik lang niet op durfde rijden.
En een Parker vulpen en een FlikFlak horloge.
Zo was dat in de jaren 90 bij je eerste communie.

Het tweede was een week later, met alle kinderen uit het home.
Met keiveel pannenkoeken waar we zoveel snoep op mochten leggen als we wilden.

Aangezien ik nog maar zes was en er in die tijd voornamelijk via telefoon en slakkenpost gecommuniceerd werd, verwaterde het contact met de kinderen van het home redelijk snel.
Een kinderbrein is flexibel en uiterst nieuwsgierig.

Wel vertelde ik trots op school over het home, als we onze geboortekaartjes mochten tonen aan de klas.
Hallo, ik had wel een poster met keiveel namen he!
En in het vierde of vijfde leerjaar maakte ik een spreekbeurt over Levensruimte.
Maar als ik heel eerlijk ben heb ik er in mijn kinderjaren nogal weinig bij stilgestaan.
Ik snapte ook niet helemaal wat dat nu juist betekende ‘geplaatst worden’.
Ik had geen flauw benul van hoe die kinderen zich gevoeld moeten hebben.

Omdat wij altijd leuke dingen deden (zoals mijn kleuterbrein het zich herinnert) dacht ik dat het allemaal wel oké was ofzo.
Nadien hoorde ik vertellen over kinderen die ooit bij mama en papa in’t home zaten intussen zelf een gezin hadden en een tof leven enal.
Soms hoorde ik ook dat het bij iemand misliep.
Maar ik was nog zo jong, het bleef bij een paar dagen zorgen maken en dan weer verder, ofzo.

Niet dat ik niet aan hen dacht en om hen gaf.
Ik was echt nog te jong om het te begrijpen en ik denk dat mijn ouders me er ook wel een beetje voor afschermden omdat ik zo’n gevoelig kind was.
(En nog steeds ben, eigenlijk)

Een paar jaar geleden overleed een vroegere collega van mijn ouders.
Ik kende hem uiteraard ook van toen ik klein was, maar dat is heel anders.
Mijn moeder was ooit begonnen als opvoedster in het home waar hij en zijn vrouw inwonend gezin waren.
Na de begrafenis kwam zijn dochter naar mijn moeder.
Ze vertelde dat ze als kind mijn moeder als haar tweede mama zag.
Dat ze dankbaar was dat mijn moeder er in haar kindertijd was, als haar ouders wat minder tijd hadden.

Toen mama dat vertelde zwol mijn hart van trots.
Want ik weet dat er veel volwassenen rondlopen die ooit door mama of papa of de andere mensen van Levensruimte zijn opgevangen in een periode waarin ze heel erg kwetsbaar waren.
En dat die hen ook als een extra mama of papa hebben beschouwd.
Het maakt me trots dat mijn ouders hebben bijgedragen tot het leven van zoveel mensen.
Dat ze misschien sommige mensen wel hebben doen opgroeien tot hoe ze nu zijn.

Ik vind het knap dat ze dat zo jong al konden.
Ze waren jonger dan ik nu ben toen ze begonnen in Levensruimte.
En ze hebben zoveel leed en schrijnende situaties gezien.
En toch hebben ze die kinderen de zorg en warmte gegeven die ze nodig hadden.
Zonder elke avond in een hoekje te gaan huilen…

Ik heb zo enorm veel respect voor hulpverleners.
Misschien opvoeders nog wel in het bijzonder.
Toen ik in het OPZ verbleef zag ik hoe die vaak heel ondankbaar behandeld werden.
Een paar keer heb ik zelfs fysiek geweld gezien.
Al was het mentale geweld misschien nog veel, veel erger.
En toch stonden ze er de dag nadien opnieuw.
En gingen ze die jongeren niet uit de weg.

Ik wilde vroeger ook graag in de hulpverlening gaan werken.
Psycholoog ofzo.
Maar ik besefte dat ik me de dingen te hard aantrok.
Ik kon de dingen niet van me afzetten.
Dat leer ik stilaan met wat ouder te worden.

Al zitten er in mijn hoofd heel wat knopen.
Knopen door dingen die me dwarszitten en me verdrietig maken.
Ik kan dus nog niet alles loslaten.
Misschien ooit, als ik oud ben.

Van Arabierkes, koffietanden en bedsokken

Van Moemoe kregen we snoep met koffiesmaak.
Van die ‘arabierkes’, zoals ze genoemd werden.
Caramella Mokatine, zo blijkt na raadpleging van Meneer Google.

Stoer vonden we dat, dat we snoep met koffiesmaak kregen.
Want wij waren kinderen en koffie was voor grote mensen.
Want die hebben koffietanden.
Wij hadden nog melktanden, dus mochten we geen koffie.

Toen ik een jaar of vijf was viel mijn eerste melktandje uit.
Eindelijk ging ik koffietanden krijgen en dan zou ik ook koffie mogen drinken.
Moemoe zei dat ik melk met een beetje koffie mocht drinken.
Koffie verkeerd.
Heel veel melk met een beetje koffie.
Ik dacht dat gewone koffie, zonder melk of met maar een beetje, ‘koffie juist’ zou moeten heten.

Ik vond het best oké, die koffie verkeerd.
Niet verkeerd (haha, flauw!)
En ik dacht dat bij elk melktandje dat uit zou vallen meer koffie zou mogen.
En dat ik uiteindelijk, als ik alleen maar koffietanden had, koffie echt heel lekker zou vinden.
Want ja, dat kan toch niet anders, waarom noemen ze dat anders koffietanden?

Mijn theorie bleek niet te kloppen.
Ik werd geen koffieliefhebber bij het wisselen van mijn tanden.
Koffie verkeerd met heel veel melk kon ik wel eens apprecieren, maar gewone koffie was mijn ding niet.
Pas jaren later, toen ik al te oud was om nog stoer te zijn bij het drinken van pure koffie.
En eigenlijk drink ik nu nog steeds liefst een ‘latte’, zoals koffie verkeerd tegenwoordig zeer hip genoemd wordt. (Oke, het gaat ook over het schuim, ik hou van schuim)

Soms denk ik terug aan die arabierkes.
En dan ook automatisch aan Moemoe en Vava.
En aan zoethout. (Dat vonden we ook stoer, op zo’n stok knabbelen en zabberen.)
En aan peekes uit de serre die we zelf mochten uittrekken en wassen aan de pomp en aan rabarber die we in suiker dipten.
En aan suiker smelten in de veranda om lekstokken te maken en de vieze brandwonden die mijn neef daar opliep.
In dezelfde week dat hij met het slibberen op onze bedsokken door de gang met zijn hoofd tegen de deurklink knalde en een bloederig gat in zijn hoofd had.

En dan denk ik weer aan hoe geweldig onze bedsokken waren.
Moemoe kon breien met haar ogen dicht.
Ze maakte vooral lappendekens en bedsokken voor de kleinkinderen.
Er waren twee soorten bedsokken.
De kabouterkousen en de ‘slofjes’.
Maar allebei even warm en gezellig en perfect om te slibberen.
Ik kan niet zeggen hoeveel paar ik er versleten heb!
Ik droeg ze tot ze uit elkaar vielen en ze zelfs niet meer te repareren vielen.

Ons Moemoe is er al vijf jaar niet meer.
Het lijkt zo kort geleden, en toch is het echt al vijf jaar.
Toen was het net als vandaag een zonnige dag.
Ik zat te werken bij Villanella, het was middag.
Ik was al naar de keuken om te eten.
Toen Sabine boven kwam zei ze dat mij gsm een paar keer gerinkeld had.
Ik wist het direct.

Het ging al een tijdje niet zo goed met Moemoe.
Ze was moe, op, het was goed geweest zei ze.
Ze verbleef al enkele maanden in het rusthuis, waar ze niet graag was.
Ze was altijd zo graag thuis geweest.
“Al is mijn huisje nog zo klein, mijn grootste vreugd is thuis te zijn”
Zo hing het aan haar muur.

Ik zal ook niet gauw vergeten hoe ze op haar laatste dagen nog een grote mond opzette tegen de aalmoezenier of pastoor of weet-ik-veel welke vertegenwoordiger, die langskwam voor de ziekenzalving.
“Wa komt gij doen?”
“De ziekenzalving, mevrouw. Had u daar niet om gevraagd?”
“Nee, da moet ik nie hebben.”
“Wilt u misschien nog even samen bidden?”
“Als ik u daar een plezier mee kan doen zulle we da maar efkes doen dan he”
Hi-la-risch vond ik dat.

Vijf jaar geleden.
Zo lang en tegelijk zo kort.
Maar zoals het gaat met mensen die je graag ziet verliezen, ze blijven in je hoofd en hart leven.

Als ik ‘Arabierkes’ zie of zoethout, als ik van die ouderwetse bruin-glazen koffietassen zie.
Als ik de eikels uit de bomen zie vallen.
Als de periode van ijsjes-eten weer aanbreekt.
Met Sluis kermis.
En kermissoep.
Als ik mijn zakdoek tot een klein propje rol om te frunniken.
Of als het ‘geen weer’ is.
Want zowel te warm, te koud, nat, droog, Moemoe zou zeggen:
“Zo’n weer en dan geen eten.”

Van niet weten wat schrijven en een zus over ’t water

Ik heb vaak zoveel zin om een blog te schrijven.
Ik heb dan ideeën en zelfs al hele inleidingen in mijn hoofd.
Maar als ik daar dan zit, met iPad en toetsenbord in de aanslag.
Niks.

Een paar sputterende startjes waar ik niet verder mee geraak.
Een boel onzekerheid over onderwerpen.
Want wie heeft er nu boodschap aan dat ik dit of dat ga vertellen?
Wie wil mijn mening nu lezen over ’t een of ’t ander?
Ga ik me niet belachelijk maken, niemand kwetsen met wat ik schrijf?

Gevolg: ik schrijf niet veel meer, en publiceer al helemaal niet.
En dat frustreert me.
Want ik schrijf zo graag.
En ik deel dat eigenlijk ook wel graag met de wereld.
Noem het ijdelheid, ofzo.

Maar ik probeer vandaag nog een keertje.
Al weet ik nog niet over wat (en ik ben al 15 regels ver!)
Klimaatbrossers en mijn bewondering voor hen?
Tv-series die ik de afgelopen tijd gevolgd heb?
Wat ik tegenwoordig zoal lees in Humo (blij met mijn digitale abonnement!)
Dat mijn zusje nu echt heel binnenkort gaat verhuizen?

Dat laatste misschien, want het staat nu vast en ’t is voor echt deze keer.

In de loop van vorig jaar kocht Het Lief van mijn zus een appartement.
In Retie, of all places, wat niet onlogisch is aangezien dat zijn hometown is.
Normaal gezien zou de oplevering rond eind september vallen.
Ha! Grap van het jaar!
September werd november werd december werd februari.

Na heel wat uitstellen en verschuiven en herplanten kwam de oplevering.
En ze begonnen dus met schilderen en schuren en weet ik veel wat ze allemaal in hun nieuwe crib aan het verrichten waren.
Ze maakten tripjes naar Ikea en Bol.com leverde pakketten en bonnekes voor wasmiddel en consoorten werden uitgeknipt en verzilverd.

En nu is het écht bijna zover.
De datum is geprikt.
Over een dikke twee weken verhuist ons kleintje voor echt.
Helemaal over ’t water, naar Retie!

Het gaat anders zijn, zoveel is zeker.
Geen lange blonde haren meer in het putteke van den douche (en eigenlijk zowat overal.)
Geen twintig paar schoenen meer onder de rechtse chauffage.
Tien pottekes en fleskes minder in de douche.
Een pak meer plaats in de badkamerkasten.
Geen actimel meer in de frigo.

Nee nee, ik ga haar missen, dat is nog veel zekerder!
Onze knuffelmomentjes en grapjes.
Het wachten tot ik haar hoor thuiskomen van haar werk.
De plagerijtjes en zelfs onze wederzijdse ergernissen.

Ik besef nu plots dat er de komende weken heel veel ‘laatste keren’ zullen zijn.
De laatste keer dat ik ’s avonds nog even op haar bed kruip om te tetteren en te kriebelen.
De laatste keer lachen als ze opgerold onder haar dekentje in de zetel ligt en ‘alleen nog maar een hoofd is’.
De laatste keer samen tv kijken, eten, als ‘inwonende zus’.
De laatste keer ‘pest-Liese-dag’ aan de keukentafel, in diezelfde hoedanigheid.

Het gaat anders zijn, nadien.
Niet alles, maar toch… vanalles.
Er waren nu ook al wel weken dat ik haar niet dagelijks zag.
En toen ze op kot zat zag ik haar ook alleen in het weekend natuurlijk.
Maar nu gaat ze echt voor echt het huis uit.
Met een andere domicilie in een andere gemeente enal.
Wowzers.
Kindje wordt volwassen.

Ik denk dat ons mama en papa het ook wel raar gaan vinden.
Hun jongste verlaat het nest.
Ons mama gaat het er het moeilijkst mee hebben, denk ik.
Ons mama is een moederkloek, stiekem.
Ons papa zal het niet zo snel toegeven denk ik.
Het is voor hun echt wel loslaten volgens mij.

Maar ik ben er zeker van dat we elkaar nog genoeg gaan zien.
De bus naar Retie stopt achter hun hoek.
We gaan haar huissleutel niet afpakken.
(En anders probeert ze toch met haar autosleutel binnen te geraken)
En ze kan ons toch niet missen.

Alleen haar bed, of toch minstens matras, die pik ik in.
Nah.

Van digitale onthoudsels en oude agenda’s

Het is fijn als er iemand aan je denkt.
Als je plots een berichtje of een mailtje krijgt.
Zo eentje van, hoe is’t, lang geleden, ik dacht aan u.
Of een sms’je op je verjaardag, vooral van mensen zonder Facebook.
Of gewoon als iemand zegt, hé, ik moest gisteren aan u denken.

Het is geweldig fijn als dat getoond wordt.
Want iedereen denkt weleens aan iemand (duh.)
Maar meestal stuur je niet onmiddellijk een berichtje als je aan iemand denkt.
Dan zou ik heel de dag door onnuttige berichten sturen waarschijnlijk.
Al zou ik het soms wél moeten doen.
Eens even sturen van, hé, hoe is’t, lang geleden.

Want aan iemand denken is ook vaak een beetje missen.
De kunst van het niet-vergeten van gezamenlijke dingen.
Dingen waar je geen foto of aantekening of agendanotitie voor nodig hebt.
Die gewoon tussen jullie zijn.
Gezamenlijke herinneringen.
En als de ene ze vergeet, herinnert de andere ze zich nog wel.
En zo blijven ze leven in onze hoofden, en vaak ook harten.

Ik het digitale tijdperk waarin we leven zijn er heel veel hulpmiddeltjes voor ‘denken aan.’
Op Facebook word je herinnerd aan verjaardagen van vrienden.
Elke dag krijg je een melding van herinneringen, van de dingen die je de voorgaande jaren op je profiel hebt gepost, of hoe lang je al met iemand digitaal bevriend bent.

Telefoonnummers sla je op in je gsm, mailadressen in je digitale adresboek.
Woonadressen schrijf je misschien nog in een boekje, of je hebt er een app voor.
Maar wees eerlijk, hoe vaak stuur je nog een fysieke brief?
Zelfs kerstkaarten en verjaardagskaarten (per post) verdwijnen langzaam.
En als je dan eens iets wil opsturen, dan sms je eerst naar de bestemmeling om het juiste adres te vragen.

Ik ken eigenlijk enkel de telefoonnummers van mijn vader, mijn zus, de vaste telefoon thuis en mijn eigen nummer nog uit mijn hoofd.
Dat van mijn mama moet ik eens leren, die heeft nog niet heel lang een gsm.
Van mijn vrienden en familie ken ik vaak de straat waar ze wonen wel, maar het huisnummer niet altijd.

Tegenwoordig wordt er erg veel in uw plaats ‘onthouden’.
En je hebt ook heel veel ‘onthoudsels’ en herinneringen gewoon in je zak zitten.
In die gsm natuurlijk.
De klassieke agenda zit niet meer standaard in handtas of binnenzak.
Zelfs een balpen behoort bij veel mensen niet meer tot de standaard uitrusting.

Bij mij wel hoor.
Ik hou nog steeds van dingen opschrijven.
In mijn notaboekjes, op bierkaartjes, op oude rekeningetjes.
Maar die dingen die op losse briefjes geschreven worden verzeilen maar al te vaak verfrommeld op de bodem van mijn handtas, naast ontsnapte muntjes, stofjes en wat tabakgruis.
En balpennen leven om de één of andere reden ook hun eigen leven.
Ze demonteren zichzelf en verspreiden hun onderdelen.
De zelfmoord van een balpen.
En door de verspreidde onderdelen kan ik ze niet altijd weer reanimeren.

Soms blader ik nog wel eens door mijn oude agenda’s.
Ik had er meestal van Moleskine.
Met aan de linkerkant de weekdagen en aan de rechterkant notitieruimte.
Handig ook dat die met een rekker werd dicht gehouden.
Ik propte daar namelijk vanalles en nog wat tussen.

Ik heb ook een hele leuke van Plint gehad.
Die had heel handige plastieken mapjes om dingen in te bewaren.
En de cover kon je ook aanpassen door zo’n mapjessysteem.
Maar die was dan wel weer groot en dik en zwaar.

Als ik door die oude agenda’s blader denk ik ook aan mensen.
Aan de fijne herinneringen.
En ik lach met mijn rare kribbels.
En de losse briefjes die overal opduiken.

Vandaag kreeg ik een chatberichtje vaneen vroegere collega.
Ze stuurde dat zij en een andere collega aan mij moesten denken.
Omdat er een bureau werd opgeruimd/ontruimd.
En dat ik daar vroeger nogal goed in was, toen ik daar werkte.
In dingen uitmesten en sorteren en weggooien.
Ik heb daar ooit inderdaad heel wat kilo’s papier door de versnipperaar gejaagd.
En heel wat ontdubbeld en geklasseerd.

Het gekke is, thuis ben ik daar veel minder goed in.
Omdat ik nostalgisch ben.
Maar misschien is het een goed idee om eens orde in die chaos te brengen.
Om eens te sorteren en klasseren.
Als het lente wordt.
Dat zet ik op mijn to-do lijstje!
En ook at ik vaker een berichtje moet sturen als ik aan iemand denk.